Waren de Egyptenaren realisten?

Gombrich begint zijn boek Art&Illusion met de openingsalinea:
The illustration in front of the reader should explain much more quickly than I could in words what is here meant by the ‘riddle of style’.
Alain’s cartoon neatly sums up a problem which has haunted the minds of art historians for many generations. Why is it that different ages and different nations have represented the visible world in such different ways ? Will the paintings we accept as true to life look as unconvincing to future generations as Egyptian paintings look to us ? Is everything concerned with art entirely subjective, or are there objective standards in such matters ? If there are, if the methods taught in the life class today result in more faithful imitations of nature than the conventions adopted by the Egyptians, why did the Egyptians fail to adopt them ? Is it possible, as our cartoonist hints, that they perceived nature in a different way ? Would not such a variability of artistic vision also help us to explain the bewildering images created by contemporary artists ?”

Afgezien van de prachtige vragen die Gombrich zich n.a.v. deze cartoon stelt, merk je dat Gombrich zelf geen tekenaar is. Alain is een tekenaar en het is de vraag of hij zich ook maar één van Gombrich’s vragen heeft gesteld. Het gebaar dat de leerling tekenaars in het cartoon maken is het hulpmiddel dat tekenaars gebruiken om verhoudingen in de ruimte (diepte) te schatten. Nou zijn het de verhoudingen van  diepte,  die in de Egyptische kunst totaal ontbreken! Bovendien is het model al perfect op de Egyptische manier gaan staan: volledig en profile, zodat van diepte in de waarneming al helemaal geen sprake is, kortom het gebruikte hulpmiddel is totaal overbodig! Dat maakt het juist zo geestig!
Ik denk dat de Egyptenaren helemaal geen behoefte aan diepte hadden in hun schilderkunst.
De Egyptenaren probeerden de werkelijkheid te ”maken” door middel van hun kunstuitingen. Zij beschouwden de werkelijkheid, die ze voor hun doden creëerden als de echte werkelijkheid, terwijl ze de dagelijkse werkelijkheid voor een illusie hielden (Honour & Fleming 1982, p.44). Vandaar het strikte idioom dat de Egyptenaren eeuwenlang hebben gehanteerd in hun kunstwerken. Het ging hen niet om de kwaliteit van de weergave van de werkelijkheid, maar om de kwaliteit van de communicatie met het hogere. In het uitdrukken van dagelijkse zaken konden ze verrassend realistisch zijn (Gombrich, 1960, p.127).
De Egyptenaren hadden dus geen behoefte aan naturalistische stijlmiddelen, zoals diepte, licht-donker effecten, perspectief e.d. . Toch zou je ze realisten kunnen noemen omdat ze met hun kunst iets in hun werkelijkheid wilden realiseren.
Honour, H.&Fleming, J.: Algemene Kunstgeschiedenis. Meulenhof/Lanshoff, 1989

Hoe realistisch is het Realisme?

In het Realisme speelt de “echtheidservaring” een belangrijke rol.
In die zin kan een karikatuur ook een echtheidsreactie oproepen: “Ja dat is hem/haar precies!”, terwijl er geen lijn met de werkelijkheid hoeft overeen te komen. Dit betekent dat we de werkelijkheid altijd vanuit een schema  benaderen.

Ook bij een realistisch geschilderd schilderij komt geen enkele verfstreek overeen met de werkelijkheid. Toch roept een goed realistisch geschilderd schilderij het gevoel van echtheid op.
Volgens Gombrich (1960) was in de loop van de ontwikkeling van de westerse schilderkunst eerder sprake van het voortzetten van schildersprincipes waarmee voorgangers in de schilderkunst bezig waren, dan dat er sprake was van het verscherpen van de waarneming. Gedurende de geschiedenis van de schilderkunst hebben schema’s van representaties in de westrse kunst (van de Grieken tot het Impressionisme) zich steeds genuanceerder ontwikkeld. Deze schema’s hebben veel invloed op de volgende kunstenaarsgeneraties. Er is dus sprake van een evolutionair cultureel proces.
De werkelijkheid is echter te rijk en te veelzijdig, zodat het onmogelijk is dat imitatie en observatie alleen tot een geslaagde weergave van de werkelijkheid hadden kunnen leiden.
Zelfs de meest naturalistische kunst is in principe conceptueel en er wordt gebruik gemaakt van schema’s die worden gemodificeerd en aangepast (matching), totdat een bevredigende overeenkomst met de waarneembare wereld ontstaat. Op den duur krijgen deze schema’s zo’n zeggingskracht dat ze voor de toeschouwer volledig overtuigend worden (Gombrich, 1982, p.78). Er wordt als het ware een beeldtaal ontwikkeld, die op den duur door iedereen verstaan wordt.
Met andere woorden: het realisme in de beeldende kunst is een proces van schema’ s geweest, die met het Impressionisme zijn voorlopige hoogtepunt heeft bereikt.
Gombrich (1982, pag.27) stelt dat de impressionistische schilders het publiek zelfs leerden zien: men ontdekte dat schaduwen ook in de werkelijkheid niet zwart zijn, maar wel degelijk kleuren bezitten. Zo herkennen we ook schilderij-aspecten in de wereld.
Een landschap wordt ”pittoreske” omdat de schilder dit landschap als onderwerp van zijn schilderen heeft gemaakt. We kunnen de werkelijkheid onbewust herkennen, zonder deze bewust te onthouden (Gombrich, 1982, p.39). Er ontstaat op deze manier een wisselwerking tussen de kunstenaar en het publiek, waarbij de kunstenaar het publiek altijd een stap voor blijft.
Deze geconstrueerde schema’s, die in de loop der tijd in wisselwerking tussen kunstenaar en toeschouwer tot stand komen, kunnen verantwoordelijk worden gesteld voor het steeds beter weergeven van de werkelijkheid.
Waarnemen blijkt, naast een aantal aangeboren aspecten, vooral een leerproces te zijn; dat geldt voor het individu, maar ook voor de hele cultuur.
Gombrich E.H.: Art & Illusion. Phaidon, 1960
The Image and the Eye. Phaidon, 1982

Realisme en Naturalisme

Ik zal a.d.h.v. een aantal voorbeelden uit de kunstgeschiedenis proberen het onderscheid tussen Realisme en Naturalisme aan te tonen.

Een eerste poging heb ik in mijn scriptie ‘Perifeer Landschap’ , 1995, Academie Minerva, Groningen gedaan en neem daar een groot deel van over.
Eén van de eerste voorbeelden van realisme in de schilderkunst is de schilder Goya (1746-1828) die met zijn prenten “De gruwelen van de oorlog”een realist is te noemen.
Het schilderij ”De ondergang van de Medusa” (1819) van Géricault is een ander voorbeeld. Dit schilderij kan als één van de eerste pogingen beschouwd worden om een menselijk drama realistisch af te beelden. Het moge duidelijk zijn dat het schilderij weinig realistisch is en dat de drenkelingen er na zo’n lange tijd op zee er nog behoorlijk gezond uitzien.

De poging van Géricault om de aandacht van het publiek te trekken om het menselijk falen aan de kaak te stellen is destijds wel overgekomen (Gill, 1989). Bij beide schilders is wel duidelijk dat hun subjectiviteit een grote rol speelt bij het vervaardigen van hun schilderijen en dat van zuivere objectiviteit geen sprake is. Het is dan ook de vraag of in het Realisme objectiviteit wel bestaat en of het werkt om een boodschap over te brengen.
Wil een boodschap emotioneel overkomen dan dient de berichtgever kennelijk een subjectief verslag te doen.
In het realisme is dus iedere manipulatie toegestaan, zolang het maar het gewenste effect oplevert. Klaarblijkelijk speelt het ooggetuige verslag de hoofdrol: Het zodanig beschrijven van een gebeurtenis dat het voor het publiek aannemelijk wordt dat je erbij bent geweest met alle gevoelens van dien. Met andere woorden het realisme is niet objectief, alhoewel het in het spraakgebruik vaak wel als zodanig verkocht wordt.
Samengevat is realisme een subjectieve aangelegenheid, waarbij elementen uit de buitenwereld zodanig worden gepresenteerd dat ze bij de toeschouwer een door de presentatie gewenst effect oproepen.
Het Naturalisme is nooit een echte stroming geweest en kan meer als een stijl of een kunstopvatting beschouwd worden.
Ik beschouw die fysieke werkelijkheid van vormen, licht-donker, kleuren, hard- zacht, diepte, textuur etc. als een objectieve werkelijkheid waarop het organisme met zijn zintuigen gedurende een evolutie van miljoenen jaren heeft gereageerd en waarop hij zijn acties heeft afgesteld.
Het naturalistische schilderen probeert binnen het visuele waarnemen deze variabelen te onderzoeken. Als een naturalistisch schilder beschouw ik die schilders, die de eigenschappen van het licht de boventoon laten voeren. In feite zoekt een naturalistisch schilder niet de vorm van de dingen, maar eerder de structuur van het licht, dat door de dingen wordt gereflecteerd. Hij zal trachten van verf weer licht te maken.
In die zin vallen zowel Vermeer (1632-1675) als Rothko (1903-1970) ook onder mijn omschrijving van het naturalisme.
Het voorlopige hoogtepunt van het naturalisme is mijns inziens het Impressionisme. Schilders als Monet en Pissaro laten de vorm steeds meer los en geven de waarneming van het licht de belangrijkste rol binnen hun schilderen (Honour & Fleming 1982, p.547).
Gill, M.: The Image of the Body. Doubleday, 1989